Prinsjesdag 2026 laat een interessant beeld zien, ook voor de kunststofleiding industrie. Er komt extra geld voor infrastructuur en de verduurzaming van de industrie blijft op de agenda staan. Tegelijkertijd blijft nog redelijk open welke circulaire koers Nederland de komende jaren precies gaat varen.
Prinsjesdag 2026: investering in infrastructuur, maar de koers blijft open
Investeren in infrastructuur
Het meest concrete nieuws van afgelopen Prinsjesdag is de extra investering in de Nederlandse infrastructuur. Het kabinet trekt tot en met 2035 € 3,6 miljard extra uit. Samen met eerdere middelen gaat het om ruim € 10 miljard. Vanaf 2036 komt er bovendien structureel € 800 miljoen per jaar beschikbaar.
Dat is een belangrijke eerste stap, zeker voor de lange termijn, maar de vervangingsopgave is ook enorm. In heel Nederland moeten wegen, bruggen, tunnels, riolen en leidingnetwerken worden vernieuwd. Daarbij worden ook kunststof leidingen soms al vervangen voordat ze technisch aan het einde van hun levensduur zijn. Bijvoorbeeld omdat een gebied opnieuw wordt ingericht of andere infrastructuur wordt aangepakt.
Voor de kunststofleidingindustrie is het daarbij minstens zo belangrijk dat projecten daadwerkelijk van de grond komen en dat opdrachtgevers bij aanleg en vervanging naar de hele levensduur van een systeem kijken.
Verduurzaming vraagt om een realistische aanpak
Ook de verduurzaming van de Nederlandse industrie blijft een belangrijk onderwerp. Het kabinet kiest daarbij naar eigen zeggen voor een realistischer aanpak. Voor de maakindustrie zijn onder meer een gelijk speelveld, compensatie voor hoge elektriciteitskosten, een betrouwbare energie-infrastructuur en de beschikbaarheid van circulaire grondstoffen van belang.
De keuze voor realisme is belangrijk, maar concrete ambities die met de kunststof leidingsector tot stand komen, zijn dat net zo goed. Nederland wil circulair worden, maar opereert niet op een eiland. Wanneer eisen hier leiden tot hogere kosten en een zwakkere concurrentiepositie, bestaat het risico dat productie verschuift naar landen waar minder strenge regels gelden. En dat de Nederlandse keten verder wordt verzwakt. Daarmee worden productieprocessen wellicht voordeliger, maar zeker niet duurzamer.
Een Europese aanpak is dus wenselijk, met heldere en werkbare eisen die voor alle producenten gelden. Regels moeten verduurzaming stimuleren, zonder de maakindustrie uit Nederland en Europa weg te drukken.
Van ambities naar duidelijkheid
Een stabiele basis kan nog steeds worden gevonden in het Bouwmaterialenakkoord, waarin overheid en industrie samenwerken aan minder milieu-impact, meer secundaire grondstoffen én minder afhankelijkheid van grondstoffen van buiten Europa.
Voor de kunststofleidingsector liggen er dus zeker kansen: in de vervangingsopgave, in nieuwe infrastructuurprojecten en in de ontwikkeling van circulaire materiaalketens. Wat nu vooral nodig is, is duidelijkheid voor de lange termijn en visie op een circulaire maakindustrie. Want investeren in duurzame infrastructuur vraagt niet alleen om geld, maar ook om consistent beleid, erkenning van het belang van een circulaire kunststofketen en een gelijk speelveld binnen Europa.
Wat nu vooral nodig is, is duidelijkheid voor de lange termijn en visie op een circulaire maakindustrie. Want investeren in duurzame infrastructuur vraagt niet alleen om geld, maar ook om consistent beleid, erkenning van het belang van een circulaire kunststofketen en een gelijk speelveld binnen Europa.
Geef een reactie